|
Hieronder staat uitleg over inkomensvoming (K). De volgende begrippen komen aan de orde:
Onderdeel K Inkomensvoming
View more documents from Economie Leer Kracht.
Om te kunnen produceren zijn productiefactoren nodig:
Ad 1) Arbeid:
Arbeid is heterogeen, d.w.z. er zijn verschillende soorten arbeid; ieder beroep heeft zijn specifieke werkzaamheden (meest duidelijke verschil: geschoold werk « ongeschoold werk).
Ontwikkelingen van de productiefactor arbeid:
Arbeidsproductiviteit : De gemiddelde productie per werknemer per tijdseenheid. Afhankelijk (+) van o.a.:
Ad 2) Natuur:
De productiefactor natuur is een ruim (en heterogeen) begrip: = grond; groeikracht, vestigingsplaats, ligging, vindplaats grondstoffen, klimaat .... enz.
Ontwikkelingen van de productiefactor natuur:
Ad 3) Kapitaal:
Het begrip kapitaal heeft een dubbele betekenis; soms bedoelen we “geldkapitaal” en soms “kapitaalgoederen”. Meestal bedoelen we het laatste
Kapitaalgoederen: goederen waarmee andere goederen kunnen worden geproduceerd:
Ontwikkelingen van de productiefactor kapitaal:
Arbeidsintensief / kapitaalintensief:
Innovatie: Technische ontwikkeling zoals productinnovatie (nieuwe producten) en procesinnovatie (verbetering van het productieproces) vergroten de kapitaalintensiteit.
Investeren: Het aanschaffen/kopen van kapitaalgoederen (door bedrijven en overheid):
1) Breedte-investeringen: = meer kapitaal én meer arbeid inschakelen (-> meer werkgelegenheid). Bij breedte-investeringen blijft de arbeidsproductiviteit; de gemiddelde productie per arbeider (= a.p.) constant.
Schematisch: Voor: Na:
Voorbeeld: een busmaatschappij koopt een bus (voor 50 passagiers) extra dus heeft ook een chauffeur extra nodig (meer kapitaal én meer arbeid).
Conclusie: arbeidsproductiviteit (= a.p.) is constant.
2) Diepte-investeringen: = arbeid vervangen door kapitaal; relatief minder arbeid (kapitaalintensiever). Door diepte-investeringen stijgt de arbeidsproductiviteit.
Schematisch: Voor: Na:
Voorbeeld: een busmaatschappij koopt een dubbeldekker (voor 94 passagiers), en heeft maar één extra chauffeur nodig (meer kapitaal in verhouding tot arbeid).
Conclusie: arbeidsproductiviteit (= a.p.) stijgt.
Ad 4) Management:
De ondernemer brengt tijdens het productieproces de productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal bijeen om zo producten/diensten te produceren. De ondernemer/onderneming loopt daarbij risico (verliezen, faillissement).
Productiefactoren: Beloning/inkomen: Voor het beschikbaar stellen van: Ontvangt men:
Arbeid -> Loon Natuur -> Pacht Kapitaal (geldkapitaal, productiekapitaal) -> Interest (rente) / Huur Management (organisatietalent) -> Winst
Behoeften:
Schaarste: Behoeften <-> Middelen kenmerk: onbeperkt beperkt
Schaarste is de spanning/verschil tussen onze onbeperkte behoeften en onze beperkte middelen (ons inkomen). Dit verplicht tot kiezen; geld kan maar één keer worden uitgegeven.
Regel: Hoe schaarser, hoe hoger de prijs!
Nut: De eigenschap van goederen om in behoeften te kunnen voorzien. Dit is een subjectief begrip; goed x heeft nut voor persoon A maar niet voor persoon B.
Alternatief aanwendbaar: Goederen (maar ook productiefactoren) kunnen op verschillende manieren worden gebruikt. Echter als een goed ergens voor wordt gebruikt, kan het (meestal) niet meer ergens anders voor worden gebruikt. Bijv. aardolie - grondstof voor bepaalde producten - brandstof
Ook hier moet een keuze worden gemaakt! Indexcijfers: Indexcijfers zijn verhoudingsgetallen die een stijging/daling weergeven t.o.v. een bepaald jaar (= basisjaar).
Indexcijfer (jaar t) = waarde in jaar t/ waarde in basisjaar x 100
NB: Het indexcijfer van de basisperiode stellen we altijd op 100. Indexcijfers afronden (tenzij anders vermeld).
Voorbeeld: de indexcijfers van benzine (basisjaar is 1975):
We kunnen nu aflezen wat de procentuele veranderingen zijn t.o.v. 1975 (= basisjaar), bijv. stijging van het basisjaar 1975 naar 1988 is 32%. NB: de procentuele stijging van bijv. 1984 (¹ basisjaar) naar 1990 moet altijd met de volgende formule worden berekend:
Procentuele verandering =Nieuw – Oud/ Oud x 100%
dus: (2,00 – 1,75) / 1,75 x 100% = 14,286%
of: (160 – 140) / 140 x 100% = 14,286%
Nominaal en reëel inkomen: We kunnen de volgende soorten inkomensstijgingen onderscheiden: 1) Nominale stijging = het inkomen in geld uitgedrukt stijgt. 2) Reële stijging = het inkomen in goederen uitgedrukt stijgt. (nominaal gecorrigeerd tegen inflatie; = koopkracht)
Voorbeeld 1: Jaar: inkomen: gemiddelde prijzen: te kopen (aantal) 1998 € 1.000,- € 1,- 1000 stuks Conclusie: Stijging van het inkomen < de inflatie, dus: een reële daling
Voorbeeld 2: y1 = € 2.000,- prijsindex 1 = 120 +5% +7,5% y2 = € 2.100,- prijsindex 2 = 129
Conclusie (vooraf): Stijging van het inkomen < de inflatie, dus: een reële daling
Reële indexcijfer = Nominaal indexcijfer/ prijsindexcijfer x 100 ( RIC =NIC/ PIC x 100 )
Oplossing: Reële indexcijfer = (105 / 107,5) x 100 = 97,67 100 _______ _ - 2,33% (koopkrachtdaling)
Voorbeeld 3: Stiiging inkomens 6%, Inflatie 2,5 en de bevolkingsgroei 1%
Stap 1: RIC = (106 / 102,5) x 100 = 103,41 100 _______ _ + 3,41% reële inkomensstijging
Stap 2: RIC = (103,41 / 101) x 100 = 102,39 per hoofd v.d. bevolking 100 _______ _ + 2,39% reële inkomensstijging per hoofd van de bevolking
Reële rente, nominale rente en inflatie: Onderstaande formule is een snelle vuistregel voor het schatten van de reële rente die men ontvangt op spaargeld ten tijde van inflatie:
Reële rente = (nominale) rentepercentage - inflatiepercentage
Voorbeeld 4: De banken betalen 8% rente op spaargeld, de inflatie is 5%. Reële rente ≈ 3%
RIC= (108 / 105) x 100 = 102,86 100 _______ _ + 2,86%
Inflatie: De inflatie kan worden berekend met behulp van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie
Prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie (consumentenprijsindex): Het C.B.S. (Centraal Bureau voor de statistiek) onderzoekt het consumentengedrag. Ze bestudeert hoe de consument zijn inkomen besteedt (= budgetonderzoek). Per uitgavensoort wordt aangegeven hoeveel procent van het inkomen de consument aan die categorie van bestedingen uitgeeft. Dit percentage noemen we de wegingsfactor. Bijv. de wegingsfactor van “ontspanning” is 10%, d.w.z. dat de consument 10% van zijn inkomen besteedt aan uitgaan, vakantie, enz.
Berekening van het samengesteld (categorieën) gewogen (wegingsfactoren) prijsindexcijfer:
Voorbeeld: Een leerling ontvangt / verdient per maand € 50 die hij/zij besteedt aan:
Partiële (prijs)indexcijfers: prijsindexcijfers van de afzonderlijke uitgavencategorieën.
Het samengesteld gewogen prijsindexcijfer voor 2000 dient als volgt te worden berekend
Prijsindexcijfer v.d. gezinsconsumptie (= p.i.c.) = Som W.I/ Som W = 11.740 / 100 = 117,40 Inflatiepercentage: Het inflatiepercentage kan worden berekend door de stijging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie (t.o.v. het vorige jaar) te berekenen. In dit voorbeeld (t.o.v. 1995):
Inflatie = 117,40 – 100 = 17,4 %
Inflatie t.o.v. andere jaren dan het basisjaar altijd berekenen met: Nieuw – Oud/ Oud x 100%
Stel dat prijsindexcijfer 115 was in 1999.
Inflatie stijging in 2000 t.o.v. 1999 = (117,40 – 115 ) / 115 x 100% = 2,087% Consumentenindexcijfer: Het inflatiecijfer dat het C.B.S. berekent, wordt berekend voor drie bevolkingsgroepen. 1) alle gezinnen 2) modale inkomens (± € 32.000,-) (modus, modaal = meest voorkomende) 3) meer dan modale inkomens (> € 32.000,-) (± € 32.000,- = ziekenfondsgrens)
Inflatie en de CAO-onderhandelingen: Tijdens de onderhandelingen tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties m.b.t. de hoogte van de lonen is de consumentenprijsindex een belangrijk gegeven; als de inflatie bijv. 3% is zullen de werknemers een (nominale) loonstijging eisen van minimaal 3% anders wordt de koopkracht (reële loon) aangetast.
Gevolgen van inflatie: Inflatie heeft invloed op:
Prijscompensatie / inflatiecorrectie: Prijscompensatie = meer loon ter compensatie van de gestegen prijzen (inflatie).
Automatische prijscompensatie = prijscompensatie die in de C.A.O. is geregeld.
Inflatiecorrectie = aanpassing van de belastingtarieven/belastingschijven om de belastingdrukverzwaring die optreedt bij prijscompensatie te verminderen (wettelijk geregeld).
Waarom inflatiecorrectie?: Prijzen + -> prijscompensatie -> hoger loon -> belasting + -> netto loon = constant.
inflatiecorrectie: belastingtarieven - / belastingvrije som + -> netto loon +
Arbeidsvoorwaarden:
Arbeidsovereenkomst:
Arbeidsovereenkomst en het Europees Sociaal Handvest: De wetten van de lidstaten van de Europese Unie moeten voldoen aan het Europees Sociaal Handvest (regelt o.a. werktijden en arbeidsomstandigheden).
Arbeidsovereenkomst en de (Nederlandse) Wet: De Wet schept een algemeen kader o.a.: - minimum(jeugd)loon (23 jaar en ouder; jongeren ontvangen een percentage hiervan). - proeftijd (maximaal 2 maanden). - ontslagrecht (opzegtermijn, behalve bij dringende reden: diefstal, werkweigering).
Arbeidsovereenkomst en het Centraal Akkoord Het Centraal Akkoord is het resultaat van het overleg tussen de sociale partners; de werkgeversorganisaties en de werknemersorganisaties in de Stichting van de Arbeid. Het vormt een model voor de C.A.O.’s (Collectieve Arbeidsovereenkomst) die later per bedrijf of bedrijfstak worden gesloten.
Arbeidsovereenkomst en de C.A.O.: De C.A.O. is het resultaat van het overleg tussen werkgevers(organisaties) en de werknemers(organisaties). Het betreft specifieke afspraken binnen een bedrijf of bedrijfstak over lonen, werktijden, aantal vakantiedagen, enz. (veelal primaire arbeidsvoorwaarden) en geldt meestal voor 1 à 2 jaar. Strijdpunt van de onderhandelingen is meestal de zgn. initiële loonstijging.
Voorbeeld: Als de inflatie 3% is en de stijging van de arbeidsproductiviteit 1,5% zullen de vakbonden 4,5% loonstijging eisen. Als uiteindelijk na het CAO-overleg de lonen stijgen met 4% is dit 3% prijscompensatie en 1% initiële loonstijging. De nominale stijging is 4%. De reële stijging is: (104 / 103) x 100 = 100,971; dus ongeveer 0,97% (= 100.971 - 100). Individuele arbeidsovereenkomst: De werkgever kan met zijn werknemer zaken (individueel) afspreken zoals bijv. een auto van de zaak, onkostenvergoedingen, extra vakantiedagen enz.
Belangen en machtsposities: De werkgeversorganisaties zullen in het algemeen de belangen behartigen van de werkgevers en tijdens het loonoverleg de loonstijgingen (= loonkostenstijging voor de werkgever) te beperken. Vakbonden die de belangen behartigen van de werknemers zullen juist een loonstijging eisen. Ten tijden van economische welvaart zullen de werknemers tijdens het loonoverleg sterk staan. In slechtere tijden is de machtspositie van de werkgevers groter. Typisch voor de Nederlandse situatie is toch de relatief rustige sfeer waaronder de onderhandelingen plaatsvinden; in verhouding tot het buitenland weinig stakingen e.d.. Onze overlegstructuur (bekend uit het ‘Poldermodel’) kenmerkt zich door de samenwerking tussen de sociale partners ondanks het feit dat ze verschillende belangen behartigen.
Loonpolitiek:
De geschiedenis van de loonvorming in Nederland:
Flexwerk: De huidige tijd kent het verschijnsel van flexwerk. Flexwerkers hebben: - geen vaste aanstelling, - geen vaste werktijden en - geen vast salaris. Dit zijn bijv. oproepkrachten; alleen op drukke momenten worden deze mensen door bedrijven opgeroepen om te komen werken.
Flexwet: De zgn. flexwet (Wet flexibiliteit en Zekerheid) beschermt de positie van de flexwerkers. De belangrijkste veranderingen in de flexwet zijn in grote lijnen: - Versoepeling ontslagregels. Werkgevers kunnen personeel eerder/makkelijker ontslaan (o.a. is de opzegtermijn korter geworden). - Werken voor een uitzendbureau wordt gezien als een gewoon arbeidscontract; men komt na een half jaar in vaste dienst van het uitzendbureau. - Werknemers moeten eerder een vast contract krijgen.
S.E.R.: De SER (= Sociaal Economische Raad) is een adviesorgaan van de overheid voor economische en sociale vraagstukken.
De SER bestaat uit 33 personen (11 mensen uit de werkgeversorganisaties, 11 mensen uit de werknemersorganisaties en 11 kroonleden; vanuit de overheid). In de SER heeft de overheid regelmatig overleg met de organisaties van werkgevers en werknemers m.b.t. de loonvorming. De overheid kijkt m.b.t. de loonvorming naar het Staatsbelang; de Nederlandse welvaart staat centraal. De werkgevers- en werknemersorganisaties hebben andere doelen, zijn behartigen de belangen van hun achterban.
VNO = Verbond van Nederlandse Ondernemingen NCW = Nederlands Christelijk Werkgeversverbond
FNV = Federatie Nederlandse Vakbeweging CNV = Christelijk Nationaal Vakverbond
Stichting van de Arbeid: De Stichting van de Arbeid is het (arbeidsvoorwaarden)overleg tussen de werkgeversorganisaties en de werknemersorganisaties over een Centraal Akkoord; de basis of het model voor de CAO’s die per bedrijf(stak) worden gesloten.
Het algemeen bindend verklaren van een CAO: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, als hij een afgesloten CAO van belang vindt voor de hele bedrijfstak, deze CAO algemeen bindend verklaren voor de hele bedrijfstak (ook voor de niet-georganiseerde werknemers).
Werknemersorganisaties: Zijn georganiseerd in vakbonden, deze vakbonden hebben hun krachten weer gebundeld in Vakcentrales.
Werknemers -> Vakbonden -> Vakcentrales
Werkgeversorganisaties: Zijn georganiseerd (per sector/bedrijfstak) in werkgeversverenigingen, deze hebben hun krachten gebundeld in de werkgeverscentrales
Werkgevers -> Werkgeversverenigingen -> Werkgeverscentrales
Organisatiestructuur:
Nederland als overlegeconomie: In het buitenland is Nederland bekend om zijn zgn. ‘Poldermodel’.
Poldermodel: De kern van dit model ligt in de overlegstructuur tussen de zgn. Sociale partners; de werkgeversorganisaties en de werknemersorganisaties (de overheid stuurt in dat overleg). Ondanks het feit dat de partijen vaak strijdige belangen hebben (werknemers willen een hoger loon maar werkgevers willen liefst juist lagere loonkosten) zijn ze bereid tot het doen van concessies. Men komt in Nederland eerder tot een compromis, dit in tegenstelling tot vele andere landen. Een andere belangrijke factor in dit model is de loonmatiging.
Loonmatiging: Hieronder verstaan we een geringe loonstijging. Doordat de lonen relatief (in verhouding tot het buitenland) weinig stegen, verbeterde de internationale concurrentiepositie (en werkgelegenheid) van Nederland.
Loonstop: Hieronder verstaan we de situatie waarbij de lonen niet stijgen maar constant blijven (stijging = 0%).
Overheidsfinanciën: De derde dinsdag in september is de dag waarop de regering haar financieel-economisch beleid presenteert. In de Troonrede wordt informatie gegeven over de financiële en economische situatie van ons land:
Tegelijk met de presentatie van de regering, publiceert het Centraal Planbureau (= C.P.B.) haar Macro Economische Verkenningen (= M.E.V.); verwachting van de ontwikkeling van de werkloosheid, inflatie, betalingsbalans, enz. (het spoorboekje van de Nederlandse economie). De overheidsbegroting heeft een grote invloed op: - de hoogte van de salarissen in de collectieve sector (= ambtenarensalarissen) en - de hoogte van de sociale uitkeringen
De overheid als werkgever: De overheid heeft een grote invloed op de economie. De overheid is ook de grootste werkgever, m.a.w. het is de overheid die als werkgever onderhandelt over de hoogte van de ambtenarensalarissen.
Het algemeen bindend verklaren van een CAO: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, als hij een afgesloten CAO van belang vindt voor de hele bedrijfstak, deze CAO algemeen bindend verklaren voor de hele bedrijfstak (NB: ook voor de niet-georganiseerde werknemers en werkgevers).
Overheidsmaatregelen en de invloed op het loonoverleg:
Minimumloon: De overheid heeft een wettelijk minimumloon ingesteld. Het brutominimumloon is in Nederland ongeveer € 1.025,-. Netto blijft hier ongeveer € 825,- van over. Dit minimumloon vormt de basis voor:
Voordelen / nadelen voor de overheid van loonstijgingen:
|
Inkomensvorming
Inkomensvorming